vastlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·lo·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastlopen
liep vast
vastgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

vastlopen

  1. niet meer verder kunnen gaan
    De onderhandelingen waren vastgelopen en de vrede was niets dichterbij gekomen.
    De machine was vastgelopen en kapot gegaan doordat het oliepeil te laag was.