vastlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·lo·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastlopen
liep vast
vastgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

vastlopen

  1. niet meer verder kunnen gaan
    • De onderhandelingen waren vastgelopen en de vrede was niets dichterbij gekomen. 
    • De machine was vastgelopen en kapot gegaan doordat het oliepeil te laag was. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.