vaststaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·staan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vaststaan
stond vast
vastgestaan
klasse 6 volledig

Werkwoord

vaststaan

  1. zeker zijn
    • De investeringsmaatschappij trekt alleen geld uit voor projecten waarvan vast staat dat ze geld opbrengen. 
  2. onveranderlijk zijn, onbeweegbaar stilstaan
    • Uit uw woorden blijkt dat uw besluit vast staat. 
    • De auto bleef op de spoorwegovergang vaststaan. 
    • Bij de spaarloonregeling moet het gespaarde geld vier jaar vaststaan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.