dienst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dienst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dienst diensten
verkleinwoord dienstje dienstjes

Zelfstandig naamwoord

dienst m

  1. een bepaalde vorm van hulpverlening, bijstand, assistentie e.d.
    • Iemand een dienst bewijzen. 
  2. (beroep) een eenheid voor werktijd, zoals bij ploegendienst
    • Bij een dienst van acht uur of langer beginnen en eindigen de pauzes in de periode gelegen tussen drie uur na aanvang en drie uur voor het einde van de arbeid.[1] 
  3. (maatschappij) een dienstverlenende instantie, vaak als onderdeel van een overkoepelende organisatie
    • De sociale dienst van de gemeente verstrekt uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden. 
    • De horeca-ondernemers kozen massaal voor de gemeentelijke dienst die bij hen het vet kwam ophalen.[2] 
  4. (economie) een economisch product (goed) in niet-fysieke vorm
    • In dit geval verleent het reisbureau een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, 1° of 3° van het Wetboek.[3] 
  5. (religie) kerkdienst, een godsdienstoefening
    • Aan het einde van de dienst werd gezamenlijk het ¨Onze Vader¨ gebeden.[4] 
  6. (militair) dienstplicht, het ingevolge van de opkomstplicht verplicht dienen van een militair (historisch in Nederland)
  7. (militair) militaire ~, het vrijwillig dienen van een beroepsmilitair
Opmerkingen
  • Het woord dienst vormt een uitzondering op de regel dat zelfstandig gebruikte werkwoordsstammen met het achtervoegsel -st vrouwelijk zijn. In de praktijk wordt het woord m.n. in bet. 3 ook wel als een femininum gebruikt.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De dienst uitmaken
de baas zijn
  • (iets kan) buitendienst zijn
niet werken, kapot zijn
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.


Bijwoord

dienst

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • dienstdoen: dat deed dienst als warmte-isolatie. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief dienst dienste
genitief diensts dienste
datief dienste diensten
accusatief dienst dienste

Zelfstandig naamwoord

dienst m

  1. dienst