dienstvaardig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dienst·vaar·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dienstvaardig dienstvaardiger dienstvaardigst
verbogen dienstvaardige dienstvaardigere dienstvaardigste
partitief dienstvaardigs dienstvaardigers -

Bijvoeglijk naamwoord

dienstvaardig

  1. bereid en instaat om behulpzaam te zijn
    • “De jaren zestig waren een traumatische periode waarin de NS-directie alleen belangstelling had voor een punctuele dienstregeling, een betaalbaar treinkaartje, goed materieel en dienstvaardig personeel. [1] 
  2. van een ondergeschikte dat deze bereid is om te dienen
    • Veel gemopper over het openbaar vervoer is terug te voeren op klachten over de dienstverlening. Daarachter gaat een generiek probleem schuil. Dienstvaardigheid behoort niet tot de sterkst ontwikkelde componenten van onze volksaard. Wie reist door Amerika of Azië wordt keer op keer getroffen door de hartelijke ontvangst ter plekke: ‘de mensen zijn er zo aardig.’ Dat zal Nederlanders minder snel worden nagedragen. Wij ontlenen maar een beperkt genoegen aan het anderen naar de zin te maken. Dat is des te opmerkelijker nu Nederland zich steeds meer ontwikkelt tot een echte diensteneconomie. Het is een extra reden om zuinig te zijn op ons laatste restje industrie.[2]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Max Paumen 1 december 1993
  2. NRC Een onzer medewerkers 21 december 2011