gedienstig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dien·stig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van dienst met het voorvoegsel ge- en met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gedienstig gedienstiger gedienstigst
verbogen gedienstige gedienstigere gedienstigste
partitief gedienstigs gedienstigers -

Bijvoeglijk naamwoord

gedienstig

  1. bereid om diensten te verlenen
    • De gedienste ober wilde zijn gasten zoveel mogelijk helpen zodat ze zich prettig zouden voelen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen