dienen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • die·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dienen
diende
gediend
zwak -d volledig

Werkwoord

dienen

  1. (overgankelijk) iemand ~: werken voor; in dienst zijn van
    Vele jaren diende hij zijn heer en meester.
  2. (absoluut) ~ voor: van nut zijn
    Ik weet ook niet waar dat voor dient.
  3. behoren, moeten
    Kinderen dienen altijd te gehoorzamen aan je vader en moeder.
  4. werken in het leger
    Hij dient nu al 5 jaar in het leger.
  5. iets eigenlijk moeten doen
    Indien de klachten niet binnen 24 uur verdwijnen dient u de arts opnieuw te raadplegen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen