sport

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: /spɔrt/

Lettergrepen
  • sport
enkelvoud meervoud
naamwoord sport sporten
verkleinwoord sportje sportjes

Zelfstandig naamwoord

de sport v

  1. lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
  2. trede van een ladder
  3. stoelspaak

Afgeleide begrippen
  1. sportarts, sportblad, sportclub, sporten, sportief, sporttak

Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
sport sporte

Zelfstandig naamwoord

sport

  1. sport (lichaamsbeweging)

Engels

enkelvoud meervoud
sport sports

Uitspraak
  • IPA: /spɔːt/

Zelfstandig naamwoord

sport

  1. sport (lichaamsbeweging)

Uitdrukkingen en gezegden
  • practice a sport
    • een sport beoefenen

Bijvoeglijk naamwoord

sport

  1. sport-

Onovergankelijk werkwoord

sport

  1. spelen, zich vermaken

Overgankelijk werkwoord

sport

  1. pronken met (een kledingstuk)

Estisch

Zelfstandig naamwoord

sport

  1. sport (lichaamsbeweging)

Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  sport     le sport     sports     les sports  

Zelfstandig naamwoord

sport m

  1. sport (lichaamsbeweging)

Uitdrukkingen en gezegden
  • faire du sport
    • aan sport doen
  • pratiquer un sport
    • een sport beoefenen

Hongaars

Zelfstandig naamwoord

sport

  1. sport (lichaamsbeweging)

Italiaans

Zelfstandig naamwoord

sport m

  1. sport (lichaamsbeweging)

Zweeds

Zelfstandig naamwoord

sport g

  1. sport (lichaamsbeweging)

Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sport     sporten     sporter     sporterna  
genitief   sports     sportens     sporters     sporternas  
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen