schaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- scha·ken
Woordherkomst en -opbouw
- van schaak
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schaken |
schaakte |
geschaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
schaken
- (inergatief) het spel schaak spelen
- (overgankelijk) ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, ook in de zin van: een meisje inpalmen)