schaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schaken
schaakte
geschaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

schaken

  1. (inergatief) het spel schaak spelen
  2. (overgankelijk) ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, ook in de zin van: een meisje inpalmen)