ijshockey

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·hoc·key
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijshockey -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijshockey o

  1. (sport) ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
    Er was ijshockey op de tv, maar je kon de puck niet volgen.
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijshockeyen

ijshockey

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
    Ik ijshockey.
  2. gebiedende wijs van ijshockeyen
    IJshockey!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
    IJshockey jij?

Meer informatie