ijshockey
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ijs·hoc·key
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ijshockey | - |
| verkleinwoord |
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
ijshockey o
- (sport) ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
- Er was ijshockey op de tv, maar je kon de puck niet volgen.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ijshockeyen |
ijshockey
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
- Ik ijshockey.
- gebiedende wijs van ijshockeyen
- IJshockey!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
- IJshockey jij?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.