skiën
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ski·en
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| skiën |
skiede |
geskied |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
skiën
- (inergatief), (sport) zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
- Er wordt daar 's winters veel geskied.
- (ergatief), (sport) zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
- We zijn van die hut naar de andere lift geskied.
Vertalingen
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.