skiën

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Kbm telemark carving apex1 reencoded.ogv
Skiën.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ski·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
skiën
skiede
geskied
zwak -d volledig

Werkwoord

skiën

  1. (inergatief), (sport) zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    Er wordt daar 's winters veel geskied.
  2. (ergatief), (sport) zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    We zijn van die hut naar de andere lift geskied.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen