voetbal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voet·bal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voetbal -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

voetbal

  1. (sport) o een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
    Vooral mannen houden erg van voetbal.
enkelvoud meervoud
naamwoord voetbal voetballen
verkleinwoord voetballetje voetballetjes
  1. (voetbal) m een bal die bij de bovengenoemde sport wordt gebruikt
    De voetbal was alweer lek.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
voetballen

voetbal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voetballen
    Ik voetbal.
  2. gebiedende wijs van voetballen
    Voetbal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voetballen
    Voetbal je?