boogschieten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- boog·schie·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| boogschieten |
||
| onvolledig | ||
Woordherkomst en -opbouw
Werkwoord
boogschieten
- (inergatief) met een boog schieten
- Hij wilde gaan boogschieten, maar daar kwam weinig van terecht die middag.
Opmerkingen
- De te-vorm komt zowel gescheiden als ongescheiden voor, een enkele keer komt een scheidbaar voltooid deelwoord "booggeschoten" voor.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boogschieten | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
boogschieten o
- (sport) een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
Vertalingen
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.