schaatsen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schaat·sen
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schaatsen |
schaatste |
geschaatst |
| zwak -t | volledig | |
schaatsen
- zich voortbewegen op schaatsen.
- Doe jij veel aan schaatsen?
Vertalingen
1. zich voortbewegen op schaatsen
Zelfstandig naamwoord
schaatsen
- meervoud van schaats.