tuin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: tuun
Oudnederlands: tūn
Germaans *tunaz, tunan «omheining, omheinde ruimte»
Gallisch: dunon «heuvel(fort)»
Indo-Europees: *dheuh₂, dhuh₂ «afsluiten van een kring»
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: town, Duits: Zaun
Noord: Deens: tun
  • Andere Indo-Europese talen
Keltisch
Welsh: din «heuvel»
Iers: dún «fort»
Hettitisch: tuhhušta «af, klaar»
Italisch Latijn: funus «begrafenis»
Helleens: Oudgrieks: θάνατος «thanatos, dood»
enkelvoud meervoud
naamwoord tuin tuinen
verkleinwoord tuintje tuintjes

Zelfstandig naamwoord

tuin m

  1. (landbouw) (tuinieren) een omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten geteeld worden
    • Zijn al die bloemen voor je tuin bedoeld? 
  2. (verouderd) oorspronkelijk een tenen onheining rond een hof
    • Een tuin is gemaekt van staken van wilgen hout in den grond gestoken, en met dunner takken van het zelve hout dicht doorvlochten.[1] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. blz 74. Nederduitsche spraekkunst, ten dienste van in- en uitheemschen, uit verscheidene schryveren en aentekeningen, opgemaekt en uitgegeeven
    Arnold Moonen
    Uitgeverij: Pieter Meyer, 1751

Werkwoord

vervoeging van
tuinen

tuin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuinen
    • Ik tuin. 
  2. gebiedende wijs van tuinen
    • Tuin! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuinen
    • Tuin je?