tuinbouwer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·bou·wer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuinbouwer tuinbouwers
verkleinwoord tuinbouwertje tuinbouwertjes

Zelfstandig naamwoord

tuinbouwer m

  1. (beroep) (landbouw) Iemand die een tuinbouwbedrijf heeft.
    • In Vlaanderen wordt de term bloemist ook gebruikt voor de tuinbouwer die bloemen teelt in kassen, en ze via de groothandel verdeelt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.