hof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Hof

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hof
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘omheind stuk grond’ voor het eerst aangetroffen in 976 [1]
  • > Germaans *hof- > Proto-Indo-Europees *keup-, gevormd uit *keu- «bocht, holte» met een achtervoegsel. Vgl Oudsaksisch hof, Oudhoogduits hof (Duits Hof), Oudnoors hof (Oudnoords hov).
enkelvoud meervoud
naamwoord hof hoven
verkleinwoord hofje hofjes

Zelfstandig naamwoord

hof

  1. o: de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
  2. o: (juridisch) een instelling waar recht gesproken wordt
  3. m: een stuk bebouwd land of tuin
     Ik had op de kaart gezien dat ik mij zo zou vastlopen in hoven en binnentuinen als een stier in een rode lap. Ik moest er niet van uitgaan dat Venetië een stratenplan had. Het was niet zo dat er ooit in redelijkheid was gebouwd op afgebakende kavels langs een rationele straatweg.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief hof hove
genitief hoves hove
datief hove hoven
accusatief hof hove

Zelfstandig naamwoord

hof o

  1. hof