tuinhek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·hek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuinhek tuinhekken
verkleinwoord tuinhekje tuinhekjes

Zelfstandig naamwoord

tuinhek o

  1. Omheining van een tuin in den vorm van een hek, of de beweegbare afsluiting van een opening in de omheining van een tuin.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.