gaard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaard
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘omheinde tuin’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gaard gaarden
verkleinwoord gaardje gaardjes

Zelfstandig naamwoord

gaard

  1. v/m? (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
  2. v/m? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
  3. v/m taai, recht wilgenhout voor rijswerk
  4. m (verouderd) omheinde ruimte, tuin. Heden ten dage voornamelijk in eigennamen en samenstellingen
  5. (religie) paradijs
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Noors

Zelfstandig naamwoord

gaard

  1. verouderde spelling of vorm van gard van vóór 1917
(onbepaalde mannelijke vorm nominatief enkelvoud)

Zelfstandig naamwoord

gaard

  1. verouderde spelling of vorm van gård van vóór 1917
(onbepaalde mannelijke vorm nominatief enkelvoud)