gaarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Gaarde

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaar·de
enkelvoud meervoud
naamwoord gaarde gaarden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gaarde

  1. v/m? (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
  2. v/m? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
  3. v/m taai, recht wilgenhout voor rijswerk
  4. m (verouderd) omheinde ruimte, tuin. Heden ten dage voornamelijk in eigennamen en samenstellingen
    • De kat wil uit den gaarde niet, en zij laat haar muizen niet.[1] 
  5. m (religie) paradijs
    • Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven. 
    • 'Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud'.[2] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
garen

gaarde

  1. enkelvoud verleden tijd van garen
    • Ik gaarde. 
    • Jij gaarde. 
    • Hij, zij, het gaarde. 
    • ... door mijn vingers verglijden de kruimels, die 'k gaarde van 't godenfestijn in de hemelenzaal.[3] 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. blz 120. Spreekwoordenboek der nederlandsche taal: of Verzameling van nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uit drukkingen von vroegeren en lateren tijd
    Auteur: Pieter Jacob Harrebomée
    Uitgever: Kemink en zoon, 1862
  2. Jesaja 32:15-16:
  3. Hyperion's klacht. Bob Spoelstra "den Doolaard" 1922.