tuinclub

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·club
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuinclub tuinclubs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tuinclub v/m [1]

  1. vereniging van mensen die het leuk vinden een tuin te onderhouden
    • Sanneke van Hasselen fotograaf Peter de Krom laten zien hoe we uit de sleur breken. Deze week met de tuinclub op pad. [2] 
    • Voor 28 mei ligt er een uitnodiging voor een Fancy fair in Wierden. Ook heeft de Tuinclub van de NPvP/Vrouwen van Nu vier activiteiten op de kalender gezet: op 20 april een workshop voorjaarskrans maken bij Trijnie Zieren; op 8 juni een excursie naar landgoed Rozendael en Klavertje Vier in Heino; op 22 juni een tuin bezichtiging bij de familie Oude Weernink in Langeveen en op 6 juli een excursie naar de zogeheten zelfpluk boerderij de Manderveense Aardbei. [3] 
Verwante begrippen


Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.


Verwijzingen