elkaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] elkaar kussende popppetjes
nominatief genitief
elkaar elkaars
Uitspraak
Woordafbreking
  • el·kaar

Wederkerig voornaamwoord

elkaar

  1. drukt uit dat van twee of meer personen ieder op zijn eigen manier tegenover de ander handelt
    • Zij waren echt aan elkaar gewaagd. 
  2. drukt een onderlinge relatie, aansluiting of een snelle opeenvolging uit (met voorzetsel)
    • Zij hebben een uur achter elkaar lopen praten. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het is voor elkaar
het is klaar
  • iemand in elkaar slaan
iemand heel hard slaan zodat die persoon niet meer rechtop kan staan
  • uit elkaar gaan
stoppen met een relatie, scheiden
  • achter elkaar lopen
in ganzenpas lopen, de ene voor de andere lopen
  • iets in elkaar zetten
iets monteren, van losse delen één geheel maken
  • zaken door elkaar halen
je vergissen, denken dat het ene ding eigenlijk het andere is

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.