zie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie

Werkwoord

vervoeging van
zien

zie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zien
    • Ik zie. 
  2. gebiedende wijs van zien
    • Zie! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zien
    • Zie je? 
  4. aanvoegende wijs van zien


Gronings

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon (ik)
k
mie wie os
2e persoon
(informeel)
doe die joe joe
2e persoon
(formeel)
joe joe joe joe
3e persoon
(mannelijk)
hai hom zai
zie
heur
3e persoon
(vrouwelijk)
zai
zie
heur
3e persoon
(onzijdig)
t t

Persoonlijk voornaamwoord

zie

  1. zij


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • zi·e

Zelfstandig naamwoord

zie v mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zia