eer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eer

Voegwoord

eer

  1. (formeel) voordat
    • Het duurde lang eer ik zijn grappen waarderen kon. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord eer -
verkleinwoord eertje eertjes

Zelfstandig naamwoord

eer v/m

  1. aanzien, roem
    • Hij kreeg veel eer voor zijn werk. 
  2. kuisheid.
    • Wij deden dat in alle eer en deugd. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de eer aan jezelf houden
zelf weggaan voordat je wordt weggestuurd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eren

eer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eren
    • Ik eer. 
  2. gebiedende wijs van eren
    • Eer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eren
    • Eer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord eer -

Zelfstandig naamwoord

eer

  1. eer