Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: sozo

Deens

Woordafbreking

Werkwoord

  1. verleden tijd van se


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
  • Bijwoord, tussenwerpsel, voegwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord svá
  • Werkwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord .
  • Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord sár.
Naar frequentie 20

Bijwoord

  1. zo
    «Hvor har du vært så lenge?»
    Waar ben je zo lang geweest?

Tussenwerpsel

  1. zo
    «Så så!»
    Zozo!

Voegwoord

  1. zo, zodat
    «Vi løp, vi ikke skulle komme for sent.»
    We liepen, zodat we niet te laat zou komen.
vervoeging
onbepaalde wijs
tegenwoordige tijd sår
verleden tijd sådde
voltooid
deelwoord
sådd
onvoltooid
deelwoord
sående
lijdende vorm sås
gebiedende wijs
vervoegingsklasse Klasse 4 zwak
opmerking

Werkwoord

  1. (overgankelijk) zaaien
  2. (overgankelijk), (figuurlijk) zaaien
Spreekwoorden
  • [1-2]: Som en sår, skal en høste.
Wat men zaait, zul men oogsten.
  • [2]: Så vind og høste storm.
Die wind zaait, zal storm oogsten.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: pløye, harve og så
ploegen, eggen, en zaaien
  • [2]: så hat en tvil
haat en twist zaaien

Werkwoord

  1. verleden tijd van se
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   så     m: såen
v: såa  
  såer     såene  
genitief   sås     m: såens
v: såas  
  såers     såenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] m/v

  1. kaf
  2. kafnaald


  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   så     såen     såer     såene  
genitief   sås     såens     såers     såenes  

Zelfstandig naamwoord

[B] m

  1. een houten tobbe


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
  • (Bijwoord, tussenwerpsel, voegwoord) afkomstig van het Oudnoorse woord svá
  • (Werkwoord) afkomstig van het Oudnoorse woord .
  • (Zelfstandig naamwoord) afkomstig van het Oudnoorse woord sár.

Bijwoord

  1. zo
    «Vil du, så kan du.»
    Wilt u zo kunt u.
Schrijfwijzen

Tussenwerpsel

  1. zo
    «Så så!»
    Zozo!

Voegwoord

  1. zo, zodat
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord

sår
sådde
sådd
sått
Klasse 3 zwak

Werkwoord

  1. (overgankelijk) zaaien
  2. (overgankelijk), (figuurlijk) zaaien
Spreekwoorden
  • [1-2]: Som ein sår, skal ein hauste.
Wat men zaait, zul men oogsten.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: så hat en tvil
haat en twist zaaien
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   så     såa     såer     såene  

Zelfstandig naamwoord

[A] v

  1. kaf
  2. kafnaald
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   så     såen     såar     såane  

Zelfstandig naamwoord

[B] m

  1. een houten tobbe


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking

Aanwijzend voornaamwoord

  1. dat, die

Bijwoord

  1. zo

Voegwoord

  1. zodat
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord

sådde
sått
volledig

Werkwoord

  1. zaaien


  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   så     sån     såar     såarna  
genitief   sås     såns     såars     såarnas  

Zelfstandig naamwoord

g

  1. drinkbak