bril

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Bril

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bril
enkelvoud meervoud
naamwoord bril brillen
verkleinwoord brilletje brilletjes

Zelfstandig naamwoord

bril m

  1. (optica) een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
    • Wij moeten allemaal aan een bril. 
  2. twee door een dwarsstreep verbonden ringvormige vlekken op sommige dierenlichamen
  3. een wc-bril
    • Doe de bril omlaag als je klaar bent. 
  4. een oog of open steun aan een werktuig
  5. een opening in een seinarm waar een gekleurde ruit in geplaatst kan worden
Antoniemen
Meroniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
brillen

bril

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
    • Ik bril. 
  2. gebiedende wijs van brillen
    • Bril! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
    • Bril je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Woordafbreking
  • bril

Zelfstandig naamwoord

bril

  1. bril