bril

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bril

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bril
Woordherkomst en -opbouw
  • van Middelnederlands bril dat is ontstaan uit "beril", het materiaal waaruit toen lenzen werden geslepen, in de betekenis van ‘glazen om beter te zien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401 [1][2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord bril brillen
verkleinwoord brilletje brilletjes

Zelfstandig naamwoord

bril m

  1. (optica) optisch instrument dat gebruikt wordt om het zicht te verbeteren of de ogen te beschermen
    • Wij moeten allemaal aan een bril. 
    • Op basis van het willekeurige beleid van het paranoïde Khmer-regime werden veel mensen, zoals zwangere vrouwen, kinderen en basisschoolleraren, gekwalificeerd als gevaar voor de staat. Ook mensen die een bril droegen werden vervolgd, omdat ze 'intellectuelen' zouden zijn [4] 
     In zijn bril zag ik mezelf weerspiegeld en ik constateerde dat ik er net zo verwilderd uitzag als hij.[5]
     Hé, scheids, ga eens bij Hans Anders een brilletje kopen![6]
  2. (dierkunde) tweetal door een dwarsstreep verbonden ringvormige vlekken op sommige dierenlichamen
  3. (huishouden) zitting op een wc-pot in de vorm van een ronde rand die omhoog kan worden geklapt
    • Doe de bril omlaag als je klaar bent. 
  4. oog of open steun aan een werktuig
  5. opening in een seinarm waar een gekleurde ruit in geplaatst kan worden
Synoniemen
Antoniemen
Meroniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
brillen

bril

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
    • Ik bril. 
  2. gebiedende wijs van brillen
    • Bril! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
    • Bril je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Woordafbreking
  • bril

Zelfstandig naamwoord

bril

  1. bril