jeugd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jeugd
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het jong-zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • In de betekenis van ‘jongelui’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1480 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord jeugd -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jeugd v/m

  1. het jong zijn
    • In mijn jeugd was alles zoveel slechter. 
  2. de jongeren van een samenleving
    • De jeugd van tegenwoordig groeit op voor galg en rad. 
     `Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.[2]


Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

jeugd

  1. jeugd