jar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
jar jars

Zelfstandig naamwoord

jar

  1. pot
    «There is blueberry jam is this jar
    Er zit bosbessenjam in deze pot.
  2. gerinkel, gekwetter, lawaai, wanklank
    «The loud jar of the Grosbeaks is not unlike the call of the Snow Bunting»
    He luide gekwetter van roodborstkardinalen verschilt niet veel van de roep van de sneeuwgors.


vervoeging
onbepaalde wijs to jar
he/she/it jars
verleden tijd jarred
voltooid
deelwoord
jarred
onvoltooid
deelwoord
jarring
gebiedende wijs jar

Werkwoord

jar

  1. rinkelen, kwetteren, lawaai maken
    «The sound of the alarm jarred
    Het geluid van het alarm rinkelde.
  2. onthutsen
    «A jarring experience.»
    Een onthutsende belevenis.


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • jar

Zelfstandig naamwoord

jar

  1. genitief meervoud van jaro