spring

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spring springen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

spring m

  1. springtij, springvloed [2]
  2. tros die wordt uitgebracht in een richting tegen die van een landvast in, om het doorschieten van een schip te voorkomen [3]

Werkwoord

vervoeging van
springen

spring

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van springen
    • Ik spring. 
  2. gebiedende wijs van springen
    • Spring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van springen
    • Spring je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
spring springs

Zelfstandig naamwoord

spring

  1. bron
  2. lente
  3. veer
vervoeging
onbepaalde wijs to spring
he/she/it springs
verleden tijd sprang
voltooid
deelwoord
sprung
onvoltooid
deelwoord
springing
gebiedende wijs spring

Werkwoord

spring

  1. ontspringen, ontspruiten, ontstaan.
  2. springen
Hyponiemen