klok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een klok.
[2] Een klok.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klok
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Middelnederlands clocke, vgl. Angelsaksisch clucge, Oudnoors klukka. Het Germaanse woord is mogelijk van Keltische oorsprong, vgl. Iers clog. Daar een onomatopee.
enkelvoud meervoud
naamwoord klok klokken
verkleinwoord klokje klokjes

Zelfstandig naamwoord

klok v/m

  1. (natuurkunde), (tijdrekening) een instrument dat de tijd bijhoudt
    Als je wil weten hoe laat het is kijk je maar op de klok.
  2. (muziekinstrument) een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
  3. (communicatie) een akoustisch waarschuwingsmiddel waarmee men geluidssignalen aan de bevolking kan geven
    De klokken luiden voor de aanvang van de mis, maar ook bij gevaar.
  4. onomatopeïsche benaming voor het geluid dat men soms hoort bij vloeistoffen in beweging, of van sommige vogels
    De vloeistof gutste de vuilnisbak in, klok klok klok.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: daar kun je de klok op gelijkzetten
gezegd van iets dat op gezette tijden plaatsvindt
  • [1]: met de regelmaat van een klok
gezegd van iets dat zeer regelmatig voorkomt
  • [1]: zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens
weer thuis zijn, is het toch maar het beste
  • [2]: iets aan de grote klok hangen
ruime bekendheid geven aan iets
  • [2]: dat klinkt als een klok
een krachtig en gaaf geluid laten horen
  • [2]: hij heeft de klok horen luiden, maar weet niet waar de klepel hangt
hij weet maar half waar het over gaat
  • [3]: de noodklok luiden
alarm slaan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klokken

klok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
    Ik klok.
  2. gebiedende wijs van klokken
    Klok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
    Klok je?

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.