Naar inhoud springen

klokken

Uit WikiWoordenboek
  • klok·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klokken
klokte
geklokt
zwak -t volledig

klokken

  1. een tijd opnemen
    • Zij klokte een tijd van 2:14:34,34. 
  2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
    • De kippen klokten opgewonden. 
    • Het water klokte toen de luchtbel ontsnapte. 
  3. snel drinken
     Voordat ik het wist kreeg ik een bierproeverijplank voor mijn neus met tien kleine bierglazen met verschillende soorten IPA. Deze kleine porties klokten we in een noodvaart naar binnen en ik bestelde meteen een aantal nieuwe planken proefglazen voor de hele tafel.[1]

deklokkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klok
     De Franse president Macron prijst de paus ook voor zijn inzet voor armen en kwetsbaren. Hij noemt hem een bescheiden man die "altijd aan de zijde van de meest kwetsbaren stond". De Notre-Dame in Parijs luidt de klokken 88 keer als eerbetoon aan de paus, die 88 jaar is geworden.[2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 21 april 2025 Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • klok·ken
Naar frequentie 523

klokken

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van klokke
  • klok·ken
Naar frequentie 809

klokken

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van klokke