klokken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klok·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klokken
klokte
geklokt
zwak -t volledig

Werkwoord

klokken

  1. een tijd opnemen
    Zij klokte een tijd van 2:14:34,34.
  2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
    De kippen klokten opgewonden.
    Het water klokte toen de luchtbel ontsnapte.
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

klokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klok


Deens

Woordafbreking
  • klok·ken

Zelfstandig naamwoord

klokken, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van klokke


Noors

Woordafbreking
  • klok·ken
Naar frequentie 800

Zelfstandig naamwoord

klokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van klokke
Synoniemen