hangklok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Regulateur.jpg
Uitspraak
Woordafbreking
  • hang·klok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hangklok hangklokken
verkleinwoord hangklokje hangklokjes

Zelfstandig naamwoord

hangklok v/m [1]

  1. een klok die aan de muur hangt
    • Twintig torenuurwerken, circa vijftien hangklokken, negentien staande klokken en daarnaast ook nog eens wekkers, horloges en zonnewijzers staan uitgestald op de eerste verdieping van de Bibliotheek Hof van Twente in Goor. Bij binnenkomst van het gebouw lijkt het stil. De begane grond van de bibliotheek is, op rekken met boeken na, leeg.[2] 
    • Nee, dan luister ik toch liever naar het mechaniek van zo’n grote antieke hangklok. Je hoort hoe de tandwielen in elkaar grijpen, hoe de seconden even loom als onverbiddelijk wegtikken. Laat je meevoeren door dat geluid en voordat je het weet ben je aan de beurt: ‘Dag meneer, wat mag ik voor u betekenen?’[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 15-SEPTEMBER-2008
  3. Tubantia 07-JUNI-2014