jam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam
enkelvoud meervoud
naamwoord jam jams
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jam m

  1. (voeding) (fruit) een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
    Als je iets zoets wil pak je maar een boterham met jam.
Hyponiemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Esperanto

Bijwoord

jam

  1. al, reeds


Indonesisch

Woordafbreking
  • jam
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

  1. klok, horloge
  2. uur
  3. tijd
Synoniemen


Welsh

enkelvoud meervoud
jam jamiau

Zelfstandig naamwoord

jam

  1. (voeding) jam