jam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
jam

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam
enkelvoud meervoud
naamwoord jam jams
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jam m

  1. (voeding) (fruit) een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
    • Als je iets zoets wil pak je maar een boterham met jam. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Esperanto

Bijwoord

jam

  1. al, reeds


Indonesisch

Woordafbreking
  • jam
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

  1. klok, horloge
  2. uur
  3. tijd
Synoniemen


Welsh

enkelvoud meervoud
jam jamiau

Zelfstandig naamwoord

jam

  1. (voeding) jam