klokgelui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kerkklokken die zorgen voor klokgelui
Uitspraak
Woordafbreking
  • klok·ge·lui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klokgelui
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klokgelui o [1]

  1. (religie) het langdurig laten klinken van (kerk)klokken, meestal om een kerkdienst aan te kondigen
    • Van der Staaij vindt namelijk dat niet alle religies gelijk behandeld moeten worden. De islam houdt geen halt meer „voor de poorten van Wenen” (zoek dat ook maar eens op, jongeren met slecht onderwijs - hint: 1683). Gebedsoproepen van minaretten dienen te worden tegengegaan, net als de bouw van nieuwe moskeeën. Het is duidelijk dat ook de SGP wil mee vissen in de troebele vijver van de PVV-aanhang. Maar de orthodoxe protestanten schieten zich daarmee in de voet, want voor veel mensen is het klokgelui op zondagochtend even ergerlijk als de oproep vanaf de minaret.[2] 
    • De katholieke kerk weet met een ongelooflijke intuïtie hoe het gemoed vanuit het lichamelijke naar het geestelijke te leiden. De klank van het avondlijke klokgelui, het tijdstip en de duur, alles is zo gekozen dat het ook een ongelovige in een ontvankelijke stemming brengt, die het religieuze dicht benadert.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Hans Beerekamp 1 februari 2017
  3. Volkskrant 28 juli 2016