torenklok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ren·klok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord torenklok torenklokken
verkleinwoord torenklokje torenklokjes

Zelfstandig naamwoord

torenklok v/m

  1. Klok in een toren.
    • De torenklok hoefde niet precies gelijk te lopen, want iedereen keek op dezelfde klok. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be