doodsklok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doods·klok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doodsklok doodsklokken
verkleinwoord doodsklokje doodsklokjes

Zelfstandig naamwoord

doodsklok v/m [1]

  1. klok die men luidt bij een sterfgeval
    • Het opwerpen van een scherm op de Middellandse Zee moet stoppen, aldus het bisdom. Volgens de kerk mag de grensbewaking niet boven bescherming van de mens gaan. De kerken zullen de doodsklok honderd keer laten horen. [2] 
    • Naast de Sint-Janskathedraal in Den Bosch is woensdag een gezamenlijke ceremonie. Die begint rond 15.30 uur, een half uur voor aankomst van de twee vliegtuigen met de eerste slachtoffers. 5 minuten voor de landing klinken de zogeheten doodsklokken van de kathedraal „waarna om 16.00 uur met elkaar één minuut stilte in acht wordt genomen”, aldus de Brabantse hoofdstad. Ook in Breda is een herdenking, om 15.45 op de Grote Markt. Het is niet bekend of andere gemeenten vergelijkbare herdenkingen organiseren. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen