mandibel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·di·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mandibel mandibels
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mandibel v / m

  1. (anatomie) aanhangsel van het kopsegment waarmee insecten en schaaldieren kunnen bijten
    • Het resultaat bewees dat Atta cephalotes baat heeft bij zijn maaggeluid. Zonder ultrageluid zaagde de kaak met krachtpieken van 10 tot 30 milliNewton. Met een vibrerende kaak (mandibel) was de uitgeoefende kracht maximaal 5mN. [1]
  2. (anatomie) ondersnavel van een vogel
    • De kaken bestaan uit de bovensnavel of maxilla en de ondersnavel of mandibula. [2]
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

11 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen