geven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
geven gevend
gift gegeven
gave -
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aanreiken, verschaffen, schenken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: gheven
Oudnederlands: gevan
Germaans: *gebanan
Indo-Europees: *ghab-, *ghabh-, *gheb-, *ghebh-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: give (Angelsaksisch: ġiefan), Duits: geben, (Oudhoogduits: geban), Fries: jaan (Oudfries: jeva)
Noord: Zweeds: giva, ge, Deens: give, Noors: gi, gje, gjeva, (Oudnoords: gefa), IJslands: gefa, Faeröers: geva
Oost: Gotisch: giban
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geven
gaf
gegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

geven

  1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  2. aanbieden
     Ik geef jullie een aantal ervaringen die ik heb meegemaakt op mijn eigen pad. Het zijn lessen die voor mij werken maar niet noodzakelijkerwijs voor jullie. Zie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.[3]
  3. opleveren, veroorzaken, verschaffen
     Deze wakkerheid gaf me een autonoom gevoel.[3]
     Deze informatie was nog betrouwbaarder dan de soms wat verouderde opmerkingen in Guthook en gezamenlijk gaven ze voldoende informatie om met enigszins gerust hart de uitgedroogde woestijn in te trekken.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen