imago

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ima·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voorstellingsbeeld’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord imago imago's
verkleinwoord imagootje imagootjes

Zelfstandig naamwoord

imago o

  1. (maatschappij) bepaald beeld dat van een persoon of instelling bestaat
    • Het imago oppoetsen. 
  2. (dierkunde) het resultaat van een volledige gedaanteverwisseling bij insecten
    • Als volwassen imago zijn de soorten zeer moeilijk van elkaar te onderscheiden maar bij de nimfen is dat anders en is het verschil tussen de soorten voor een geoefend oog goed te zien.[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Latijn

Zelfstandig naamwoord

imāgō v

  1. beeld, afbeelding
  2. evenbeeld
    «Imago est animi vultus.»
    Het gezicht is een evenbeeld van de ziel.
Verbuiging