moeilijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moei·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen moeilijk moeilijker moeilijkst
verbogen moeilijke moeilijkere moeilijkste
partitief moeilijks moeilijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

moeilijk

  1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
  2. pijnlijk, vervelend, lastig
     In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.[3]
     'Vroeger had ik een mannetje in dienst om het verkeer op de parkeerplaats te regelen. Moet je nu zien!', zucht patron Thierry Gleize (49). 'Moeilijk, moeilijk... binnen tien jaar is het hier afgelopen.'[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Hoe ouder ... hoe moeilijker.
Uitdrukkingen en gezegden
  • het moeilijk hebben met iets
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen