imkerij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·ke·rij
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van imker met het achtervoegsel -ij
1 enkelvoud meervoud
naamwoord imkerij imkerijen
verkleinwoord imkerijtje imkerijtjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord imkerij -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

imkerij v

  1. (beroep) een bedrijf dat zich toelegt op de bijenteelt
    • Er is daar een imkerij gevestigd. 
  2. het houden van bijen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be