angel

Uit WikiWoordenboek
De angel van een wesp, met een druppel gif.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘haak, hengel’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1]
  • [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord angel angels
verkleinwoord angeltje angeltjes

Zelfstandig naamwoord

angel m

  1. (zoötomie) orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    • De angel van de bij blijft in de steekwond achter. 
  2. vishaak
    • Gooi de angel even uit. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
[1] termen uit de entomologie:
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iemand aan zijn angel krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen