angel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord angel angels
verkleinwoord angeltje angeltjes

Zelfstandig naamwoord

angel m

  1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    • De angel van de bij blijft in de steekwond achter. 
  2. een vishaak
    • Gooi de angel even uit. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie