durf
Uiterlijk
- durf
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | durf | - |
| verkleinwoord | - | - |
de durf m
- het vermogen om moed te tonen
- Heb jij de durf om het anders te doen.
- iets kunnen doen wat nuttig is maar ook gevaarlijk
- Hij had de durf om tegen zijn baas te zeggen dat het werk te zwaar en te gevaarlijk is.
| vervoeging van |
|---|
| durven |
durf
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van durven
- Ik durf.
- gebiedende wijs van durven
- Durf!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van durven
- Het woord durf staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "durf" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 of 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %