Naar inhoud springen

durf

Uit WikiWoordenboek
  • durf
enkelvoud meervoud
naamwoord durf -
verkleinwoord - -

dedurfm

  1. het vermogen om moed te tonen
    • Heb jij de durf om het anders te doen. 
  2. iets kunnen doen wat nuttig is maar ook gevaarlijk
    • Hij had de durf om tegen zijn baas te zeggen dat het werk te zwaar en te gevaarlijk is. 
vervoeging van
durven

durf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van durven
    • Ik durf. 
  2. gebiedende wijs van durven
    • Durf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van durven
    • Durf je? 
     'Ik durf er al mijn pannen onder te verwedden dat vrouwen achter gesloten deuren nog steeds gemberkoekmannetjes eten, wat de burgemeesters ook mogen zeggen'.[1]
     'Geloofde u dat hij erheen ging om te werken?' 'Hoe durf je hier te komen' 'U zult hem nooit zo goed leren kennen als ik'.[1]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be