Naar inhoud springen

uitkijken

Uit WikiWoordenboek
  • uit·kij·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkijken
keek uit
uitgekeken
klasse 1 volledig

uitkijken

  1. inergatief voorzichtig zijn
    • Kijk uit voor die auto! 
  2. inergatief ~ naar: met verlangen op iets wachten
     'Laten we maar eens zien hoe erg hij en zijn aristocratische vriendjes ernaar uitkijken om nog verder met hun neus in hun eigen vuil te worden gedrukt! ' zei hij tegen me.[1]
    • Hij kijkt erg uit naar zijn verjaardag. 
  3. inergatief~ op: uitzicht bieden op
    • De hotelkamer keek uit op een ravijn. 
     Je kunt zo uitkijken op de binnenplaats van de Oudemanhuispoort.[2]
  • uitgekeken zijn op
    niet meer positief zijn over, genoeg hebben van

deuitkijkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitkijk
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9023420535
  2. “De familie Wachtman” (2006), Ambo/Anthos, ISBN 9789026352508
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be