uitkijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkijken
keek uit
uitgekeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

uitkijken

  1. inergatief voorzichtig zijn
    • Kijk uit voor die auto! 
  2. inergatief ~ naar: met verlangen op iets wachten
    • Hij kijkt erg uit naar zijn verjaardag. 
  3. inergatief~ op: uitzicht bieden op
    • De hotelkamer keek uit op een ravijn. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • uitgekeken zijn op
    niet meer positief zijn over, genoeg hebben van
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be