uitkijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkijken
keek uit
uitgekeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

uitkijken

  1. inergatief voorzichtig zijn
    • Kijk uit voor die auto! 
  2. inergatief ~ naar: met verlangen op iets wachten
    • Hij kijkt erg uit naar zijn verjaardag. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.