ergeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
ergeren ergerend
ergernis geërgerd
Uitspraak
Woordafbreking
  • er·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ergeren
ergerde
geërgerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ergeren

  1. overgankelijk gevoelens van onvrede veroorzaken
    • Die onzinbots met hun absurde wijzigingen ergerden hem mateloos. 
  2. wederkerend zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
    • Daar ergerde hij zich al lang aan. 
Vaste voorzetsels
  • ergeren aan
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen