prikkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prik·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prikkelen
prikkelde
geprikkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

prikkelen

  1. prikken, aansporen, ergeren
    De steeds hogere huur prikkelde hem om te verhuizen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

prikkelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord prikkel
Synoniemen