prikkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prik·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prikkelen
prikkelde
geprikkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

prikkelen

  1. prikken, aansporen, ergeren
    • De steeds hogere huur prikkelde hem om te verhuizen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

prikkelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord prikkel
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.