gereis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gereis
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gereis o [1]

  1. het voortdurend reizen
    • ,,Mensen zien alleen de mooie dingen. Maar dat zijn alleen die tussenmomenten. Even een fotootje op social media posten, maar dan ga je meteen weer naar je hotelkamer om te slapen. Want je bent negen van de tien keer best wel uitgeput van het gereis. [2] 
    • Voorstanders van één zetel (in Brussel) willen de aanstaande verhuizing van twee Europese agentschappen, het medicijn-agentschap en de bankenautoriteit, benutten om aan hun tijd en geld verslindende heen en weer gereis tussen Brussel en Straatsburg een eind te maken. [3] 
    • Van de week kwamen de Europese staatshoofden en regeringsleiders in Brussel bijeen om zich te buigen over het migratievraagstuk. Daar slaagden ze er in een politiek akkoord te bereiken op een aantal punten, maar niet over het tegengaan van het gereis van asielzoekers door Europa. Zondag bespreken Seehofer en Merkel de resultaten van de Europese top. [4] 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen