Naar inhoud springen

lokken

Uit WikiWoordenboek
  • lok·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lokken
lokte
gelokt
zwak -t volledig

lokken

  1. overgankelijk mens of dier verleiden ergens heen te komen
    • De eenden werden door een lokeend in de kooi gelokt. 
     Nella is ervan overtuigd dat de miniatuurmaakster hier is geweest, en ze kan zich niet voorstellen dat de vrouw haar naar zich toe zou lokken en haar vervolgens in de steek zou laten.[6]
  2. als eerste deel van samenstellingen
    1. (jachttaal) in jagerstermen voor datgene waarmee wild wordt aangetrokken
    2. (juridisch) bij een voorwerp dat als aantrekkelijk doelwit voor misdadigers moet dienen
    3. (juridisch) bij een persoon die als aantrekkelijk slachtoffer of contact voor misdadigers moet dienen

delokkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lok
     ' 'Denk je dat dat bladgoud is?' Hij boog zich voorover en wees op de leeuwenmanen, de golvende lokken die leken te glinsteren.[7]
     'Welke verhalen?' Teresa nam kleine lokken van Olives grote bos haar en wikkelde ze om haar vingers, waarna ze ze stevig vastzette met de krulspelden die ze uit Sarahs slaapkamer hadden gepakt.[7]
     'Welke verhalen?' Teresa nam kleine lokken van Olives grote bos haar en wikkelde ze om haar vingers, waarna ze ze stevig vastzette met de krulspelden die ze uit Sarahs slaapkamer hadden gepakt.[7]
98 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]