afreizen
Uiterlijk
- af·rei·zen
- samenstelling van af bw en reizen ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afreizen |
reisde af |
afgereisd |
| zwak -d | volledig | |
afreizen
- ergatief een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
- Hij is vanmorgen afgereisd naar Kopenhagen.
- ▸ Ik heb nog een paar vroege Klee's die je in plaats daarvan misschien zou willen zien - ik zal zelf niet naar Wenen afreizen, maar ben bezig de schilderijen naar Londen te krijgen - of misschien kan ik ze rechtstreeks naar New York sturen, mocht je van plan zijn daar langere tijd te verblijven en er belangstelling voor hebben.[1]
- ▸ Nadat ze ’s middags het graf van de jongens had bezocht en daarna samen met Denise een pizza had gegeten, was ze weer naar het Flevoziekenhuis afgereisd.[2]
- ▸ De resten zullen nog tot aanstaande zaterdag te zien zijn. Voor wie niet naar Padua kan afreizen heeft de kerk een webcam opgehangen die 24 uur per dag uitzendt.[3]
de afreizen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afreis
- Het woord afreizen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afreizen" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Weblink bron “Italianen in de rij voor St. Antonius” (Maandag 15 februari 2010, 15:51), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %