Naar inhoud springen

afreizen

Uit WikiWoordenboek
  • af·rei·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afreizen
reisde af
afgereisd
zwak -d volledig

afreizen

  1. ergatief een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
    • Hij is vanmorgen afgereisd naar Kopenhagen. 
     Ik heb nog een paar vroege Klee's die je in plaats daarvan misschien zou willen zien - ik zal zelf niet naar Wenen afreizen, maar ben bezig de schilderijen naar Londen te krijgen - of misschien kan ik ze rechtstreeks naar New York sturen, mocht je van plan zijn daar langere tijd te verblijven en er belangstelling voor hebben.[1]
     Nadat ze ’s middags het graf van de jongens had bezocht en daarna samen met Denise een pizza had gegeten, was ze weer naar het Flevoziekenhuis afgereisd.[2]
     De resten zullen nog tot aanstaande zaterdag te zien zijn. Voor wie niet naar Padua kan afreizen heeft de kerk een webcam opgehangen die 24 uur per dag uitzendt.[3]

deafreizenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afreis
97 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 17 november 2022 Weblink bron “Italianen in de rij voor St. Antonius” (Maandag 15 februari 2010, 15:51), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be