rondreizen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·rei·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rondreizen
reisde rond
rondgereisd
zwak -d volledig

Werkwoord

rondreizen

  1. inergatief naar vele plaatsen onderweg zijn
    • Hij heeft verschillende jaren in Europa rondgereisd, toen hij besloot naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag te gaan om fluit te leren spelen. 
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

rondreizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rondreis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.