meereizen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·rei·zen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

meereizen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meereizen
reisde mee
meegereisd
zwak -d volledig
  1. samen met iemand een reis maken die die ander toch al zou maken
    • Zij mocht met haar collega meereizen naar het werk. 
  2. reizen met een goedkoper meereiskaartje van de NS. Dit kaartje is alleen geldig als je samen met een betalende passagier reist.
    • De vrouw vroeg aan de onbekende in de trein of ze met hem mocht meereizen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.